Nederland heeft al bijna twintig jaar drijvende huizen. IJburg in Amsterdam kreeg in 2016 al de naam "de eerste drijvende wijk" van het land, met 97 woningen op betonnen bakken gevuld met piepschuim, vrijwel onzinkbaar volgens de bouwers. Toch staat grootschalig bouwen op water in Nederland nog steeds nagenoeg stil. Niet omdat het niet kan, maar omdat de wet het niet toestaat.
Dat is precies de boodschap die woningcorporatiekoepel Aedes op 21 april 2026 naar de Tweede Kamer stuurde, samen met tientallen andere organisaties. Hun Manifest Drijvende Woningbouw is geen pleidooi voor meer onderzoek. Het is een directe oproep: pas de regels aan, dan kan de bouw beginnen.
Het probleem is niet de techniek, het is de wet
Evert Leideman, bestuurder van woningcorporatie deltaWonen, zegt het zo in het manifest aan de Tweede Kamer: "we lopen vast op wetgeving." Drijvende woongebouwen worden juridisch namelijk nog niet gelijkgesteld aan woningen op land. Daardoor is het voor een corporatie of ontwikkelaar vrijwel onmogelijk om meerdere woningen op één drijvend platform te verkopen of te verhuren zoals dat bij een gewoon appartementengebouw gaat.
Zonder die gelijkstelling ontbreekt ook huurtoeslag voor drijvende woningen. Voor huurders en corporaties maakt dat drijvend bouwen in de praktijk onbetaalbaar, ook als de techniek er klaar voor staat. Het manifest vraagt de politiek om twee dingen: drijvende woongebouwen wettelijk gelijktrekken met woningen op land, en op korte termijn huurtoeslag mogelijk maken, al is het eerst alleen voor voorbeeldprojecten.
Wie er allemaal achter dit manifest staat
Het is geen eenmansactie van een enthousiaste architect. Naast Leideman en Aedes zetten onder meer Els Otterman van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, Pernille van der Plank (hoogleraar goederenrecht aan de Open Universiteit) en René Breman van installatiegroep BREiNN hun naam onder het manifest. Een waterschap, een jurist gespecialiseerd in eigendomsrecht en een installatiebedrijf: dat zijn precies de partijen die tegen de praktische knelpunten van drijvend bouwen aanlopen, van grondrecht op water tot leidingen die mee moeten bewegen met het peil.
Dat is ook meteen de denkfout die veel mensen maken over drijvend wonen: het klinkt als een experiment voor een enkele luxevilla aan de rivier, maar de partijen achter het manifest komen uit de sociale huursector. Zij willen drijvend bouwen inzetten tegen het woningtekort, niet als nichemarkt voor wie het kan betalen. Dat raakt aan een thema dat ook terugkomt bij de vertraagde ombouw van kantoren tot woningen: er liggen genoeg ideeën op de plank, maar regelgeving blijkt vaak de echte bottleneck.
Wetenschappers zijn voorzichtiger dan de lobby
Terwijl de bouwsector aandringt op snelle wetswijziging, klinkt het bij de wetenschap genuanceerder. Onderzoekers van de Rijksuniversiteit Groningen publiceerden op 7 september 2026 in Nature Communications een artikel met tien kritische vragen over het opschalen van drijvende ontwikkelingen. Het onderzoek kwam voort uit een samenwerking tussen de Faculty of Spatial Sciences, maritiem onderzoeksinstituut MARIN, zee-instituut NIOZ en de Blue Revolution Foundation.
Dr. Elizabeth MacAfee en dr. Margo van den Brink, beiden verbonden aan de RUG, onderzochten de sociale en bestuurlijke kant van drijvend bouwen. Samen met collega's van Blue21, MARIN en hoogleraar Tjeerd Bouma (NIOZ en Universiteit Utrecht) brachten ze drie thema's in kaart: is drijvend bouwen haalbaar, uitvoerbaar en ook wenselijk? Hun conclusie is voorzichtig: het is nog niet vastgesteld of drijvende bouw substantieel kan bijdragen aan het woningtekort. De tien vragen vormen eerder een onderzoeksagenda dan een definitief antwoord.
Interessant is wel waar ze naar kijken. Het Floating Future-consortium, met meer dan veertig partners en gefinancierd door NWO, onderzoekt vijf concrete cases: een mogelijke drijvende buurt in IJstad tussen Amsterdam en Almere, projecten in Amsterdam en Rotterdam, drijvende bebouwing in de veenweidegebieden van het Groene Hart, industriële drijvende structuren in de Rotterdamse haven en een multifunctioneel drijvend platform op de Noordzee. Dat is een veel breder speelveld dan alleen "woningen op het water".
Amsterdam bewijst dat het al tien jaar kan
De techniek is dus niet nieuw. IJburg draait al sinds het midden van de jaren 2000, en in 2016 werd de wijk al aangehaald als bewijs dat drijvend wonen op schaal werkt: woningen op betonnen bakken met piepschuimvulling, stabiel genoeg om als normale woning te gelden. Het laat zien dat het knelpunt niet bij de bouwtechniek ligt, maar bij alles daaromheen: eigendomsrecht op water, aansluiting op nutsvoorzieningen, en financiering via hypotheek of huurtoeslag.
Dat sluit aan bij een patroon dat je op meer plekken in de Nederlandse bouw ziet: slimme oplossingen bestaan al, maar schalen niet op omdat wet- en regelgeving nog uitgaat van de traditionele woning op vaste grond. Hetzelfde speelt bijvoorbeeld bij het optoppen van bestaande huizen met een extra verdieping, waar bestemmingsplannen vaak net zo hard afremmen als de bouwkosten.
Wat dit betekent voor de woningmarkt
Voor wie nu op zoek is naar een huis verandert er dit jaar niets. Het manifest moet nog landen in de Tweede Kamer, en de RUG-onderzoekers wijzen er terecht op dat niemand nog weet hoeveel woningen drijvend bouwen er écht kan opleveren. Maar de richting is duidelijk: woningcorporaties, een waterschap, een installatiebedrijf en een hoogleraar goederenrecht trekken samen op om een deel van het woningtekort letterlijk op het water te gaan oplossen.
Of dat ook werkelijkheid wordt, hangt niet af van een nieuwe uitvinding. Het hangt af van iets veel saaiers: of de Tweede Kamer bereid is drijvende woongebouwen in de wet net zo te behandelen als een flat op de kant. Net als bij klimaatadaptief bouwen aan de gevel is de techniek er al. Nu is het wachten op de wetgever.